Zelfstandigenwet: wijdverbreide misverstanden en misinterpretaties maken werkgevers te voorzichtig
Beeld: CHRO
De concept-Zelfstandigenwet wil meer zekerheid bieden bij de inhuur van zzp’ers. Maar de daarin voorgestelde veilige haven*) dreigt in de praktijk een verplichte toegangspoort te worden, doordat de zeven voorwaarden worden aangezien voor algemene eisen aan het werken met zzp’ers. Dit nieuwe misverstand staat niet op zichzelf.
De Zelfstandigenwet is een consultatievoorstel, er is daarom geen reden om het inhuurbeleid nu al op de zeven voorwaarden in te richten
Het dossier schijnzelfstandigheid wordt al jaren beheerst door onjuiste interpretaties van een op zichzelf overzichtelijk juridisch toetsingskader. Juist de tweeslachtigheid van de Zelfstandigenwet zelf en de honderden overwegend eendimensionale reacties daarop illustreren dat probleem in optima forma. Wat betekent dit voor het inhuurbeleid van HR?
Organisaties die zzp’ers inhuren, willen weten waar zij aan toe zijn. Zij willen voorkomen dat een overeenkomst van opdracht achteraf als arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt, met mogelijke gevolgen voor loonheffingen, arbeidsrechtelijke aanspraken, sociale verzekeringen en pensioenverplichtingen.
Waar komt die grote onzekerheid eigenlijk vandaan?
In het debat over schijnzelfstandigheid wordt vaak aangenomen dat het geldende recht onvoldoende duidelijk is. De behoefte aan zekerheid wordt vervolgens vertaald in de behoefte aan nieuwe criteria, toetsen en wetgeving.
Die redenering verdient kritiek. Het bestaande juridische toetsingskader is overzichtelijk. Het probleem zit voor een belangrijk deel in de manier waarop dat kader wordt begrepen, uitgelegd en toegepast.
Afzonderlijke gezichtspunten worden tot harde eisen verheven, juridische bronnen worden door elkaar gehaald en interpretaties worden overgenomen zonder steeds naar de wet en de rechtspraak van de Hoge Raad terug te keren.
Een aanvullende wettelijke mogelijkheid kan door misverstanden in de praktijk veranderen in een algemene voorwaarde voor zzp-inhuur
De concept-Zelfstandigenwet, die tot en met 29 oktober 2026 ter consultatie ligt, illustreert dat patroon opnieuw. Het voorstel introduceert zeven cumulatieve voorwaarden voor een zogenoemde veilige haven.
Maar in de discussie erover worden die voorwaarden geregeld behandeld alsof iedere zzp’er eraan moet voldoen om nog te kunnen worden ingehuurd.
Dat is niet wat de voorgestelde wet regelt. En juist daarin schuilt het risico voor HR: een aanvullende wettelijke mogelijkheid kan door misverstanden in de praktijk veranderen in een algemene voorwaarde voor zzp-inhuur.
Het geldende toetsingskader past op een A4
Artikel 7:610 lid 1 BW omschrijft de arbeidsovereenkomst aan de hand van arbeid, loon en gezag.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad verloopt de beoordeling in twee fasen. Eerst wordt aan de hand van de Haviltex-maatstaf vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Vervolgens wordt beoordeeld of die rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.
Onzekerheid over de uitkomst van een concrete beoordeling is iets anders dan onduidelijkheid over de beoordelingsmethode
Daarbij worden alle relevante omstandigheden van het geval in onderling verband bezien. De Hoge Raad heeft in de zaak Deliveroo negen gezichtspunten genoemd die daarbij van belang kunnen zijn. Die gezichtspunten zijn niet limitatief, kennen geen vaste rangorde en vormen geen verplichte checklist.
Meer is de kern van het toetsingskader niet.
Dat de toepassing ervan kennis en oordeelsvorming vergt, maakt de methode niet onduidelijk. Het uitleggen van afspraken, het vaststellen van feiten en het wegen van omstandigheden in hun onderlinge samenhang zijn gewone juridische werkzaamheden.
Afwijkende interpretaties
Onzekerheid over de uitkomst van een concrete beoordeling is iets anders dan onduidelijkheid over de beoordelingsmethode. Toch wordt dat onderscheid in het dossier schijnzelfstandigheid voortdurend uit het oog verloren. En opvallend genoeg zijn het niet alleen opdrachtgevers of adviseurs die daaraan bijdragen.
In de Deliveroo-procedure bepleitte de advocaat-generaal een doorslaggevende betekenis voor organisatorische inbedding, ten koste van de holistische toets. De Hoge Raad ging daarin niet mee.
Bij Uber speelde het omgekeerde. De advocaat-generaal en de Belastingdienst bepleitten een ondergeschikte rol voor extern ondernemerschap. Ook die beperking werd door de
Een interpretatie heeft institutioneel voet aan de grond gekregen en blijkt moeilijk te corrigeren, zelfs wanneer de Hoge Raad haar niet volgt
Hoge Raad niet aanvaard. Hij bevestigde dat extern ondernemerschap kan meewegen binnen de holistische beoordeling, zonder vaste rangorde tussen de relevante omstandigheden. Daarmee was de verwarring echter niet verdwenen.
De afwijkende interpretaties bleven circuleren, ook nadat de Hoge Raad de holistische toets had bevestigd. De betekenis van organisatorische inbedding werkte door in het debat over de WVBAR en speelt nog steeds een grote rol in delen van de uitvoeringspraktijk, waaronder de zorg.
Dat terwijl rechtspraak, aangepaste toelichtingen en inmiddels ook de toelichting bij de Zelfstandigenwet aanleiding geven dat gezichtspunt niet los van de totale beoordeling te behandelen.
Het kwaad is dan al geschied: een interpretatie heeft institutioneel voet aan de grond gekregen en blijkt moeilijk te corrigeren, zelfs wanneer de Hoge Raad haar niet volgt.
Als de bron niet meer klopt
Het probleem gaat verder dan een verkeerde weging van gezichtspunten. Het raakt ook de bronnenhiërarchie.
Zo komen in de praktijk documenten van de Belastingdienst voor waarin overwegingen uit een conclusie van de advocaat-generaal aan de Hoge Raad worden toegeschreven.
Dat is geen onschuldige onnauwkeurigheid. De advocaat-generaal adviseert; de Hoge Raad beslist. Een conclusie kan juridisch relevant zijn, maar is geen arrest. Wanneer een rechtsopvatting die de Hoge Raad niet heeft overgenomen toch als diens oordeel wordt gepresenteerd, krijgt zij ten onrechte het gezag van de hoogste rechter.
Een rechterlijke uitspraak is geen systematische inventarisatie van alle denkbare omstandigheden
Ook onderzoek naar rechtspraak kan een vertekend beeld opleveren wanneer onvoldoende onderscheid wordt gemaakt tussen wat gegevens laten zien en welke conclusies daaruit mogen worden getrokken.
Dat bepaalde Deliveroo-gezichtspunten vaker in rechterlijke uitspraken worden besproken, betekent niet dat zij juridisch zwaarder wegen dan andere. Een rechterlijke uitspraak is geen systematische inventarisatie van alle denkbare omstandigheden.
De rechter beslist binnen de procesrechtelijke kaders van het geschil, waaronder artikel 24 Wet Rechtsvordering, op basis van wat partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd.
Een zichzelf versterkend effect
Welke gezichtspunten aandacht krijgen, hangt daarom mede af van de aangevoerde stellingen, de betwiste feiten en de processtrategie van partijen. Die worden op hun beurt beïnvloed door actuele discussies, publicaties en handhavingsbeleid.
Wie de frequentie waarmee een gezichtspunt in uitspraken voorkomt vervolgens gelijkstelt aan juridisch gewicht, verwart de inrichting en inhoud van het proces met de normatieve betekenis van dat gezichtspunt binnen de holistische toets.
Daarmee kan zelfs een zichzelf versterkend effect ontstaan. Een gezichtspunt krijgt veel aandacht, wordt daardoor vaker aangevoerd en besproken, en die hogere frequentie wordt vervolgens gebruikt als bewijs dat het gezichtspunt belangrijker is.
Maar de Hoge Raad heeft nu juist geen algemene rangorde aangebracht.
De kwaliteit van juridische informatie wordt niet bepaald door de hoeveelheid verzamelde bronnen of gegevens, maar door hun herkomst, betekenis en de conclusies die zij daadwerkelijk kunnen dragen.
Dat is een belangrijke les voor HR. Want als dergelijke interpretaties via adviezen, handreikingen en publicaties in het inhuurbeleid terechtkomen, kan een organisatie uiteindelijk handelen op basis van regels die het geldende recht niet (er)kent.
Wat voegt de Zelfstandigenwet toe?
De concept-Zelfstandigenwet wil meer zekerheid bieden door een tweede lid aan artikel 7:610 BW toe te voegen.
Volgens dat voorgestelde lid is in ieder geval geen sprake van het verrichten van arbeid in dienst van een werkgever wanneer aan zeven voorwaarden wordt voldaan.
De zelfstandigentoets bevat drie voorwaarden: de werkende moet in het vorige en het lopende kalenderjaar voor ten minste drie opdrachtgevers hebben gewerkt, een minimumbedrag besteden aan bepaalde voorzieningen en voldoen aan nader aan te wijzen kenmerken van ondernemerschap.
Wie de veilige haven niet bereikt, heeft daarmee niet automatisch een arbeidsovereenkomst
De werkrelatietoets bevat vier voorwaarden: partijen moeten de bedoeling hebben dat werkende niet in dienst van een werkgever werkt, en vrij moet zijn in de wijze waarop hij het werk uitvoert, vrij zijn in de keuze van werktijden en werkplek en voor eigen rekening en risico werken.
Alle zeven voorwaarden zijn cumulatief. Wie aan één voorwaarde niet voldoet, kan geen beroep doen op de veilige haven.
Maar daar houdt de betekenis van die constatering ook op. Wie de veilige haven niet bereikt, heeft daarmee niet automatisch een arbeidsovereenkomst. De bestaande holistische toets van artikel 7:610 lid 1 BW blijft immers gelden. Dat bevestigt ook de toelichting bij het wetsvoorstel.
Geen drie opdrachtgevers: geen zzp-inhuur meer?
De voorgestelde eis van drie opdrachtgevers laat zien hoe het mis kan gaan. Onder het geldende recht kan het aantal opdrachtgevers meewegen bij de beoordeling van de arbeidsrelatie.
Maar het is geen harde voorwaarde. Ook iemand die slechts één opdrachtgever heeft, kan werkzaam zijn op basis van een overeenkomst van opdracht.
Voor de veilige haven ligt dat anders. Daar is het vereiste aantal opdrachtgevers een cumulatieve voorwaarde. Stel dat een organisatie een ICT-specialist wil inhuren voor een omvangrijk project. De specialist heeft gedurende langere tijd aan een eerdere opdracht gewerkt en daardoor in de relevante periode slechts één opdrachtgever gehad.
Opdrachtgevers kunnen uit voorzichtigheid besluiten alleen nog zzp’ers in te huren die aan alle zeven voorwaarden voldoen
Hij bepaalt zelf hoe hij het nieuwe project uitvoert, draagt ondernemersrisico en werkt onder omstandigheden die ook overigens niet op een arbeidsovereenkomst hoeven te wijzen.
De veilige haven zou vanwege het aantal opdrachtgevers buiten bereik blijven. Maar onder de bestaande holistische toets kan nog steeds worden geconcludeerd dat geen arbeidsovereenkomst bestaat. Daarom is het onjuist om de drie-opdrachtgeverseis te presenteren als een algemene voorwaarde om met zzp’ers te kunnen werken.
Toch dreigt precies dat te gebeuren. Opdrachtgevers kunnen uit voorzichtigheid besluiten alleen nog zzp’ers in te huren die aan alle zeven voorwaarden voldoen. Dan ontstaat een beperking die niet rechtstreeks door de wet wordt voorgeschreven, maar door de manier waarop de markt haar toepast.
Een veilige haven is geen verplichte toegangspoort
De juridische denkfout is eenvoudig aan te wijzen. Het voorgestelde artikel 7:610 lid 2 BW bepaalt wanneer het element ‘in dienst van’ in ieder geval ontbreekt. Het bepaalt niet wanneer dat element aanwezig is.
De zeven voorwaarden vormen dus een voldoende voorwaarde voor het ontbreken van gezag, geen noodzakelijke voorwaarde om buiten een arbeidsovereenkomst te werken. Wie uit het ontbreken van één van de zeven voorwaarden afleidt dat sprake is van gezag, maakt daarom een onjuiste a-contrarioredenering.
Onder lid 2 sluit één ontbrekende voorwaarde de veilige haven uit. Onder lid 1 worden alle relevante omstandigheden in samenhang beoordeeld. Een omstandigheid die een beroep op lid 2 verhindert, hoeft bij de beoordeling volgens lid 1 niet doorslaggevend te zijn. Dat onderscheid is voor HR wezenlijk.
Het opvallende is dat het wetsvoorstel zelf aanleiding geeft tot verwarring
Een organisatie kan uit eigen risicobeheersing besluiten strengere eisen aan zzp-inhuur te stellen dan het recht verlangt. Maar dat is dan een beleidskeuze, geen wettelijke verplichting.
Wanneer voldoende opdrachtgevers die keuze maken, wordt de veilige haven in de praktijk alsnog een verplichte toegangspoort. Niet omdat de wet dat bepaalt, maar omdat de markt handelt alsof dat zo is. Zo kan een misverstand zichzelf waarmaken.
Ook de toelichting gaat niet vrijuit
Het opvallende is dat het wetsvoorstel zelf aanleiding geeft tot verwarring. De toelichting benadrukt enerzijds dat artikel 7:610 lid 1 BW ongemoeid blijft. De bestaande holistische toets blijft gelden en reflexwerking of schaduwwerking van de zeven voorwaarden is uitdrukkelijk niet beoogd.
Anderzijds noemt dezelfde toelichting de voorwaarden van de veilige haven onder meer een proxy, een contra-indicatie en een weerspiegeling van de bestaande beoordeling, met een hoge voorspellende waarde.
Ook wordt gesproken over een ‘grijs gebied’ en over de noodzaak om ‘extra zorgvuldig’ te zijn wanneer niet aan de voorwaarden wordt voldaan. Dat is een opmerkelijke tweeslachtigheid.
Als de bestaande toets volledig intact blijft en de nieuwe voorwaarden daarop geen reflexwerking mogen hebben, waarom krijgen die voorwaarden dan tegelijkertijd een voorspellende betekenis voor diezelfde toets?
Juridisch relevante spanning
Het ontbreken van de veilige haven betekent immers niet dat een werkrelatie zich noodzakelijk in een grijs gebied bevindt. Ook buiten de veilige haven kan de bestaande holistische toets duidelijk uitwijzen dat geen arbeidsovereenkomst bestaat.
Die spanning is juridisch relevant. De toelichting kan een rol spelen bij de uitleg van de wet. De passages over voorspellende waarde kunnen daardoor juist discussie oproepen over de betekenis van de zeven voorwaarden onder lid 1.
De zeven voorwaarden vormen een aanvullende route, geen algemene maatstaf voor zzp-inhuur
Een wettelijke verduidelijking dat het ontbreken van een voorwaarde voor de veilige haven op zichzelf geen gevolgen heeft voor de beoordeling volgens lid 1, zou dit specifieke risico kunnen beperken. Maar daarmee is het bredere probleem niet opgelost.
De echokamer draait door
De reacties op de Zelfstandigenwet laten hetzelfde patroon zien als bij Deliveroo en Uber. Er wordt uitvoerig gediscussieerd over de drie-opdrachtgeverseis, de precieze invulling van afzonderlijke voorwaarden en de praktische gevolgen daarvan. Bijvoorbeeld over de vraag of een intermediair voor de drie-opdrachtgeverseis als opdrachtgever meetelt.
Dat kan binnen de veilige haven een relevante vraag zijn. Maar het verandert niets aan de betekenis van artikel 7:610 lid 1 BW. Wie zich uitsluitend op die details richt, kan gemakkelijk het belangrijkste onderscheid missen: de zeven voorwaarden vormen een aanvullende route, geen algemene maatstaf voor zzp-inhuur.
Opmerkelijk is bovendien hoe weinig aandacht de tweeslachtigheid van de toelichting in de vele publicaties over het voorstel krijgt. Terwijl juist die spanning bepalend is voor de vraag of de veilige haven daadwerkelijk aanvullend blijft of in de praktijk toch schaduwwerking krijgt.
Een interpretatie wordt overgenomen, herhaald en verder uitgewerkt en de oorspronkelijke wettelijke systematiek raakt op de achtergrond
Het mechanisme is bekend. Een interpretatie wordt overgenomen, herhaald en verder uitgewerkt. Nieuwe publicaties verwijzen naar eerdere publicaties. De oorspronkelijke wettelijke systematiek raakt op de achtergrond. Dat kan zelfs doorgaan wanneer de Hoge Raad een afwijkende uitleg heeft verworpen.
Het probleem is niet dat er te weinig informatie beschikbaar is. Het probleem is dat informatie van ongelijke juridische kwaliteit wordt verzameld, vermengd en vervolgens als gelijkwaardig behandeld.
Zo ontstaat een eigen werkelijkheid van adviezen, beleid en verwachtingen. En die werkelijkheid kan voor organisaties en zzp’ers uiteindelijk meer praktische gevolgen hebben dan het recht zelf.
Een cultureel en institutioneel probleem
Daarmee komt een fundamentelere vraag in beeld: is de onzekerheid rond schijnzelfstandigheid wel in de eerste plaats een probleem van wetgeving? Het geldende toetsingskader is overzichtelijk. Het vraagt om uitleg van afspraken, betrouwbare feitenvaststelling en een juridische kwalificatie waarbij alle relevante omstandigheden in samenhang worden beoordeeld.
De moeilijkheid zit voor een belangrijk deel in de omgang ermee. Primaire bronnen worden onvoldoende leidend gemaakt, gezichtspunten worden als zelfstandige normen behandeld en interpretaties worden herhaald zonder te controleren of zij aansluiten bij de wettelijke systematiek en de rechtspraak.
Daar komt bij dat de veilige haven minder zekerheid vooraf biedt dan de naam doet vermoeden
Dat gebeurt niet alleen in publicaties en adviezen, maar kan ook doorwerken in uitvoeringspraktijken en wetgevingsprocessen. Vervolgens ontstaat een zichzelf versterkend proces.
De aldus gecreëerde onzekerheid leidt tot defensief gedrag. Organisaties stellen strengere eisen aan zzp-inhuur dan het recht verlangt. Zzp’ers ondervinden daarvan de gevolgen. Die gevolgen worden vervolgens aangevoerd als bewijs dat het bestaande recht tekortschiet.
Zo wordt de behoefte aan nieuwe regels mede gevoed door misverstanden over de regels die er al zijn. Nieuwe wetgeving kan een juridisch kader aanvullen, maar zij kan een gebrek aan begrip van juridische bronnen en beoordelingsmethoden niet vanzelf verhelpen.
De Zelfstandigenwet dreigt daarom niet alleen onzekerheid te veroorzaken door de tweeslachtigheid van haar toelichting. Vooral de manier waarop het voorstel wordt ontvangen, uitgelegd en vertaald in inhuurbeleid kan het bestaande patroon versterken.
Ook de veilige haven zelf is minder eenvoudig dan zij lijkt
Daar komt bij dat de veilige haven minder zekerheid vooraf biedt dan de naam doet vermoeden. De zeven voorwaarden zijn cumulatief. Tussen de voorwaarden kan niet worden gecompenseerd. Maar binnen afzonderlijke voorwaarden kan wel degelijk een inhoudelijke beoordeling nodig zijn.
Bij de zelfstandigentoets lijkt het aantal opdrachtgevers bijvoorbeeld eenvoudig vast te stellen. Toch spreekt de toelichting over ‘volwaardige’ opdrachtgevers. Dat kan om nadere beoordeling vragen.
Bij de werkrelatietoets is die beoordelingsruimte nog duidelijker. Wat betekent het dat een zzp’er vrij is in de uitvoering van het werk? Hoe verhoudt die vrijheid zich tot instructies over het resultaat? En wanneer werkt iemand daadwerkelijk voor eigen rekening en risico?
Er is voor HR wel reden om de kwaliteit van de bestaande beoordeling kritisch te bezien
Bovendien kan de feitelijke uitvoering van een opdracht veranderen. Pas tijdens de samenwerking en achteraf kan blijken of daadwerkelijk aan alle voorwaarden is voldaan. De veilige haven geeft dus vooraf inzicht in de voorwaarden, maar geen garantie dat achteraf wordt vastgesteld dat aan die voorwaarden is voldaan.
Voor HR is dat een tweede reden om de zeven voorwaarden niet als eenvoudige checklist te behandelen. Wie dat wel doet, loopt twee risico’s: onnodige uitsluiting van zzp’ers die buiten de veilige haven vallen én schijnzekerheid over opdrachten die volgens de checklist wel binnen de veilige haven lijken te passen.
Wat moet HR nu doen?
De Zelfstandigenwet is voorlopig een consultatievoorstel. De consultatie loopt tot en met 29 oktober 2026. De tekst kan veranderen, de invoering kan nog geruime tijd duren en het voorstel kan ook stranden. Er is daarom geen reden om het inhuurbeleid nu al op de zeven voorwaarden in te richten.
Er is wel reden om de kwaliteit van de bestaande beoordeling kritisch te bezien. Begin bij het geldende recht. Beoordeel arbeidsrelaties aan de hand van artikel 7:610 lid 1 BW en de rechtspraak van de Hoge Raad. Behandel de zeven voorgestelde voorwaarden niet als algemene eisen voor het werken met zzp’ers.
Zorg dat veranderingen tijdens de opdracht worden gesignaleerd en zo nodig tot herbeoordeling leiden
Verzamel betrouwbare feiten. Leg vast welke werkzaamheden zijn overeengekomen, hoe de opdracht wordt uitgevoerd, welke vrijheid de werkende heeft, welke instructies worden gegeven en welke risico’s hij draagt. Zorg dat veranderingen tijdens de opdracht worden gesignaleerd en zo nodig tot herbeoordeling leiden.
Bewaak de kwaliteit van juridische informatie. Een organisatie moet niet alleen beoordelen of een adviseur een juridisch antwoord geeft, maar vooral of dat antwoord terug te voeren is op het juiste wettelijke kader, de relevante rechtspraak en een samenhangende toepassing op de feiten.
Zorgvuldige en controleerbare dossiervorming
Controleer daarbij niet alleen welke bronnen worden genoemd, maar ook wat die bronnen daadwerkelijk zeggen. Is een overweging afkomstig van de Hoge Raad of van de advocaat-generaal? Gaat het om een wettelijke norm, een beleidsopvatting of een interpretatie? En ondersteunt de aangehaalde bron werkelijk de conclusie die eraan wordt verbonden?
Maak de beoordeling controleerbaar. Dossiervorming gaat verder dan het bewaren van overeenkomsten. De organisatie moet kunnen reconstrueren welke feiten zijn vastgesteld, welke rechtsbronnen zijn toegepast en waarom dat tot een bepaalde kwalificatie heeft geleid.
HR, Legal en Inkoop moeten gezamenlijk zorgen dat beoordeling, uitvoering en dossiervorming op elkaar aansluiten
Betrek de lijnorganisatie. De feitelijke uitvoering is van belang. De manager die met de zzp’er werkt, moet weten welke afspraken gelden en wanneer veranderingen moeten worden gemeld. HR, Legal en Inkoop moeten gezamenlijk zorgen dat beoordeling, uitvoering en dossiervorming op elkaar aansluiten.
Het gaat dus om twee samenhangende vormen van informatiekwaliteit: de betrouwbaarheid van de gegevens over de arbeidsrelatie én de betrouwbaarheid van de juridische bronnen en redeneringen waarmee die gegevens worden beoordeeld.
Dat is geen nieuwe verplichting die uit de Zelfstandigenwet voortvloeit. Het is wat een zorgvuldige toepassing van het bestaande recht nu al vraagt.
Hardnekkige misverstanden
De concept-Zelfstandigenwet kan een aanvullende route bieden om vast te stellen dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Maar wie niet aan alle zeven voorwaarden voldoet, heeft daarmee niet automatisch een arbeidsovereenkomst.
Toch dreigt die eenvoudige juridische constatering in de discussie over het voorstel onder te sneeuwen. De voorwaarden worden behandeld alsof zij bepalen of organisaties überhaupt met zzp’ers kunnen werken.
De toelichting draagt door haar tweeslachtigheid aan die verwarring bij. Maar het grootste risico ontstaat wanneer opdrachtgevers de verkeerde interpretatie overnemen en vertalen in hun inhuurbeleid.
De CHRO moet ervoor zorgen dat het inhuurbeleid berust op betrouwbare feiten, de juiste rechtsbronnen en een controleerbare juridische beoordeling
Dat is geen nieuw verschijnsel. Het dossier schijnzelfstandigheid wordt al jaren gekenmerkt door misverstanden over juridische toetsen die vervolgens een eigen leven gaan leiden. Zelfs rechterlijke correcties blijken die ontwikkeling niet vanzelf te stoppen.
De opdracht aan de CHRO
De oplossing ligt daarom niet in het steeds verder uitbreiden van checklists, maar in een betere omgang met het geldende recht en de informatie waarop beslissingen worden gebaseerd.
De CHRO moet ervoor zorgen dat het inhuurbeleid berust op betrouwbare feiten, de juiste rechtsbronnen en een controleerbare juridische beoordeling. Niet op de misverstanden die daarover circuleren.
Want als organisaties de zeven voorwaarden van de veilige haven als allesbepalend voor zzp-inhuur gaan behandelen, wordt een aanvullende mogelijkheid in de praktijk alsnog een algemene beperking. Dan veroorzaakt niet zozeer de wet de onzekerheid, maar vooral wat betrokken partijen ervan maken.
*) Het op 1 oktober 2026 gepresenteerde wetsvoorstel voor de Zelfstandigenwet (beoogde ingangsdatum januari 2028) introduceert een zogenaamde ‘veilige haven’. Als een zzp’er en de opdrachtgever aan zeven specifieke voorwaarden voldoen (en hier in de praktijk ook echt naar handelen), staat vooraf vast dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.
LEES OOK:
- Belastingdienst voedt rechtsonzekerheid rond schijnzelfstandigheid door selectieve toepassing rechtspraak
- Zzp-specialist Niels van der Neut: “Onnodig paniekvoetbal werkgevers”
- Coulante handhaving op schijnzelfstandigheid zet kabinet zeker tot eind 2026 door
- Contractneutraliteit dé oplossing voor schijnzelfstandigheid? Niet zonder verstrekkende gevolgen…
Wekelijks ook de CHRO-nieuwsbrief ontvangen? 7000 HR-leiders gingen u voor!
